Hoe verschoonbaar is verschoonbaar?

02/04/2017

Bij het overgrote deel van de faillissementen blijft er voor de gewone schuldeisers niets over en ontvangen zij louter een fiscaal attest van de curator waarmee zij hun schuldvordering boekhoudkundig kunnen afschrijven.

Wanneer een natuurlijk persoon failliet wordt verklaard (een handelaar die zijn activiteiten onder de vorm van een éénmanszaak en dus niet onder een vennootschapsvorm voert), zouden de schuldeisers zich in principe na afsluiting van het faillissement terug kunnen richten tot deze natuurlijke persoon voor (het gedeelte van) hun schuld die zijn niet hebben kunnen recupereren in het faillissement.  Echter moet de rechtbank van koophandel zich bij natuurlijke personen uitspreken over de al of niet verschoonbaarheid van de gefailleerde.

De verschoonbaarheid brengt met zich mee dat de gefailleerde ervan vrijgesteld wordt om de restschulden van het faillissement te betalen (privé-  en handelsschulden incl. belastingschulden). De gefailleerde kan als het ware met een propere lei herbeginnen (‘fresh start’ doctrine).

Sinds de laatste wijzigingen van de faillissementswet is de verschoonbaarheid van natuurlijke personen de regel en de niet-verschoonbaarheid de uitzondering, maar hoe verschoonbaar is verschoonbaar eigenlijk?

De verschoonbaarheid beschermt de gefailleerde vooreerst niet tegen de zogenaamde separatisten (pandhoudende en hypothecaire schuldeisers), nu deze vorderingen buiten de boedel vallen. 

Daarnaast vallen ook onderhoudsschulden en schulden ten gevolge van te betalen schadevergoedingen inzake lichamelijke schade niet onder de bevrijding. 

Ook een vervroegde verschoonbaarheid heeft geen enkel gevolg voor de verdere afwikkeling van het faillissement; alle activa die verworven worden tussen de vervroegde verschoonbaarheid en de sluiting van het faillissement blijven ten goede komen aan de boedel (cf.  in die zin Luik, 3 oktober 2013, TBH nr. 2014/7, 703).

Maar er is meer; technisch gezien blijven de schulden bestaan. De verschoonbaarheid heeft immers niet tot gevolg dat de schulden zelf teniet gaan. 

Een vrijwillige gedane betaling na verschoonbaarheid kan dan ook niet worden teruggevorderd.

De verschoonbaarheid is dus een persoonlijke exceptie van (verweer tegen de/) tenuitvoerlegging. Het Hof van Cassatie stelt het zo: “De rechtbank van koophandel verklaart de gefailleerde verschoonbaar wanneer er redenen voorhanden zijn die verband houden met de persoon en het gedrag van de gefailleerde, zodat de verschoonbaarheid geen exceptie is die de schuld zelf betreft, maar een exceptie is die enkel de schuldenaar persoonlijk betreft”. (Cass. 16 november 2001, C000430F en C000433F, www.cass.be)

Aan de hand van de voormelde omschrijving lijkt het bovendien moeilijk verzoenbaar dat de schuldeisers hun vordering niet zouden kunnen verhalen op de goederen die de gefailleerde nalaat. Dit strookt in ieder geval met de bedoeling van de verschoonbaarheid, zijnde het verschaffen van een menswaardig bestaan aan de gefailleerde natuurlijk persoon ter goeder trouw. Eénmaal de gefailleerde dan overleden is, staat niets vervolging tegen de nagelaten goederen in de weg.

Oude, niet verjaarde, schulden kunnen dan herleven en de erfgenamen zullen geconfronteerd worden met een negatieve of alleszins niet zo positieve nalatenschap. Kan men zich dan beroepen op art. 110 F.W. dat  stelt dat de verschoonbaar verklaarde gefailleerde geacht wordt gerehabiliteerd te zijn?  Rehabilitatie wordt verleend door het hof van beroep wanneer alle verschuldigde bedragen geheel zijn voldaan. Doordat de wet stelt dat de verschoonbaar verklaarde gefailleerde geacht wordt gerehabiliteerd te zijn, zou men kunnen afleiden dat verondersteld wordt dat de schulden zijn voldaan.  Allicht heeft de wetgever het niet zo bedoeld, nu deze interpretatie strijdig zou zijn met de (huidige) formulering van art. 82 F.W. aangaande de verschoonbaarheid.  Er bestaan dus allicht twee vormen van rehabilitatie; deze ten gevolge van het volledig betalen van de schulden en deze ten gevolge van de verschoonbaarheid.  In dit laatste geval dien te worden aangenomen dat de schulden niet voldaan zijn.

Veiligheidshalve lijkt het dus aangewezen dat de erfgenamen de nalatenschap ofwel best verwerpen, of in ieder geval slechts aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving.

Ook voor de echtgenoot of voormalig echtgenoot is er een gelijkaardige regeling voorzien in art. 82 F.W., hetgeen uitgebreid is door het Grondwettelijk Hof naar de wettelijk samenwonende partner voor schulden van de gefailleerde waarvoor dezen zich persoonlijk aansprakelijk hebben gesteld. (M.b.t. de belastingschulden zou mogelijks nog een angeltje kunnen rijzen indien de gefailleerde getrouwd is en de fiscus op de eigen goederen van de echtgenoot wil uitvoeren, doch deze staat op gespannen voet met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof , maar dit is het allicht waard om een apart artikel aan te wijden.)

De feitelijk samenwonende partner valt evenwel uit de boot. Het Grondwettelijk Hof oordeelde immers dat hun juridische toestand zowel qua persoonlijke verplichtingen jegens elkaar als qua vermogensrechtelijke aspecten te verschillend is.  De feitelijk samenwonende partner blijft er dus toe gehouden om  een schuld aan te zuiveren waarvoor zijn verschoonbaar verklaarde partner niet langer kan worden vervolgd.

Of hoe de verschoonbaarheid, de lei toch niet helemaal proper veegt…